De dilemmadriehoek
‘Volgens mij is het ergste wat je als ouder kan overkomen dat iemand zegt dat jij – in ieder geval tijdelijk – niet je eigen kind mag opvoeden. Wat ik zo moeilijk vind is dat ik weet dat de oplossing ook weer zoveel nadelen kent. Daarom wil je zo graag dat de ouders in ieder geval betrokken blijven. Maar om dat te bereiken heb ik meer tijd nodig en dat hoort niet tot mijn takenpakket zegt mijn baas. Maar tot die van wie dan eigenlijk wel? Tsja, dat zijn de zaken waarvan ik weleens lig te woelen’
(Hulpverlener tijdens een interview met FCB, 2009)
De normen en waarden van de organisatie, van jou, van jeugdigen en hun ouders vormen de moraal. Die moraal kan tussen de partijen verschillen.
Een moraal is de combinatie van gehanteerde normen en de waarden die men nastreeft.
Ethische dilemma’s ontstaan wanneer meerdere belangen een rol spelen. Normen en waarden van verschillende betrokkenen kunnen botsen of zijn niet eenduidig. De moraal van belanghebbenden zijn met elkaar in conflict. Dit speelt zich allemaal af in het spanningsveld tussen maatschappij, overheid, de jeugdzorgsector, de organisatie, de jeugdzorgwerker en niet in de laatste plaats de cliënt.
De onderstaande dilemmadriehoek geeft aan welke belanghebbenden een rol kunnen spelen bij een vraagstuk in de jeugdzorg. Op elke zijde van de driehoek en ten opzichte van de moraal van de jeugdzorgwerker (in het midden) kunnen dilemma’s optreden. Het maakt bovendien meteen inzichtelijk dat je als professional in de jeugdzorg zelf ook onderdeel bent van het dilemma:
Het kan zijn dat jouw opvatting in conflict komt met die van de samenleving. De opvattingen over zorg en veiligheid verschuiven immers van tijd tot tijd en daar heb je als hulpverlener dan ook altijd mee te maken. Zo is er de roep om meer bescherming van jeugdigen door ingrijpen. Maar hoe verhoudt zich dit tot het lang verworven recht tot behoud van individuele vrijheid door zelfbeschikking?
Voorbeeld: verwaarlozing
In de wet op de jeugdzorg is de definitie van kindermishandeling verruimd. Naast fysiek geweld (dat je kunt bewijzen via forensisch onderzoek of een doktersattest) strekt het zich uit over de vagere categorie van ‘verwaarlozing’. Maar wanneer is er sprake van verwaarlozing? De wet is niet expliciet en meningen verschillen. Morele oordeelsvorming van jeugdzorgwerkers komt dan om de hoek kijken. Als kinderen pas 23.00 uur naar bed gaan, is er dan sprake van verwaarlozing? Terwijl wellicht in het land van herkomst dit de reguliere bedtijd is? Bovendien kunnen jeugdzorgwerkers ook nog een ander soort ethisch dilemma tegenkomen als zij hebben besloten dat er sprake lijkt van verwaarlozing. Hoe ernstig is dit voor de ontwikkeling van het kind? Moet ik het melden bij de Raad voor de Kinderbescherming? Wat betekent dit voor mijn net iets groeiende vertrouwensrelatie met dit gezin? Bescherm ik het kind wel goed als ik daarmee het contact met de ouder(s) verlies? (Bron: Lia van Doorn, 2008).
Voorbeelden van dilemma’s die met de cliënt te maken hebben zijn:
- De cliënt vraagt iets wat de hulpverlener als onethisch beschouwt, maar tegelijkertijd geen directe schade berokkent en past bij de normen van de cliënt zelf.
- De cliënt vraagt iets waarvoor de hulpverlener niet over de juiste deskundigheid beschikt, maar er is niemand anders die het kan doen.
- De cliënt vraagt iets dat ingaat tegen gemaakte afspraken of zelfs tegen de wet.
- Hoe ga je om met vertrouwelijke informatie en de plicht om iets te melden?
- De balans in het hulpverleningsproces tussen:
- beheersen en loslaten
- afstand en nabijheid
- werk versus privé
- veiligheid versus autonomie van de cliënt en het systeem
Een ander voorbeeld in de dilemmadriehoek: de opvattingen van je organisatie stroken in bepaalde situaties niet met je persoonlijke of beroepsmatige normen en waarden of vind je te zeer ingaan tegen de directe belangen van de jeugdige.
<< terug