FCB werkt voor de branches:
Dienstverlenen in Arbeidsmarktvraagstukken

Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening

Print

CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011

    • CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011
    • >
    • Bijlagen en overgangsregelingen
    • >
    • Bijlage 9 Overgangsregelingen

Bijlage 9 Overgangsregelingen

 

9.1

In- en Doorstroombanen

A

Algemeen

1.

De bepalingen van de CAO gelden onverminderd voor een werknemer die op grond van de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen Opent in nieuw venster (Stb. 1999, 591, laatstelijk gewijzigd Opent in nieuw venster bij Stb. 2002, 648) een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met de werkgever en welke arbeidsovereenkomst is voortgezet na de beëindiging van deze regeling op 1 januari 2004. Het salaris wordt vastgesteld op grond van de bepalingen onder B en C. Artikel 11.6 en Bijlage 9.2 zijn niet van toepassing op deze werknemers.

2.

Ten aanzien van een in- of doorstroombaan gelden voor de werkgever de volgende regels:

 

a.

Bij het realiseren van een in- of doorstroombaan mag geen sprake zijn van verdringing van een bestaande arbeidsplaats of van invulling van een reeds voorziene arbeidsplaats. Het moet gaan om een extra arbeidsplaats, boven de bestaande werkgelegenheid bij de werkgever die, zonder gebruikmaking van de in lid 1 genoemde regeling, niet tot stand zou zijn gekomen.

 

b.

De werkgever stelt een begeleidingsplan op dat garanties biedt voor een reële training en begeleiding van de werknemer, die de mogelijke doorstroming van de werknemer naar een reguliere arbeidsplaats bevordert. Vast onderdeel van dit plan is in ieder geval de aanwijzing van een begeleider die met de begeleiding van de werknemer is belast.

 

c.

De werkgever spant zich in om de werknemer te laten doorstromen naar een reguliere arbeidsplaats.

 

d.

De werkgever beoordeelt de geschiktheid van de werknemer voor doorstroming naar een reguliere arbeidsplaats. Dit gebeurt via een beoordelingsgesprek dat plaatsvindt ten minste na afloop van het eerste jaar van het dienstverband.

 

 

 

B.

Beloning

1.

Het salaris van de werknemer die een functie vervult die tot stand is gekomen op grond van de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen Opent in nieuw venster wordt vastgesteld volgens de salaristabel voor ID-werknemers zoals opgenomen onder C.

2.

De bedragen in deze salarisschaal worden jaarlijks op 1 januari en op 1 juli verhoogd met de stijging van het Wettelijk Minimum Loon.

3.

Bij indiensttreding wordt de werknemer voor zover de Regeling in- en doorstroombanen dit vereist ingeschaald in de laagste periodieknummer van de in C genoemde salaristabel.

4.

Werknemers die een instroombaan vervullen, kunnen doorgroeien tot periodieknummer 9 van de in C genoemde salaristabel.

5.

Werknemers die een doorstroombaan vervullen, kunnen doorgroeien tot periodieknummer 13 van de in C genoemde salaristabel.

 

 

 

C.

Salaristabel

Werknemers die op basis van een In- of Doorstroombaan in dienst zijn, worden ingeschaald in salarisschaal 0. Deze schaal is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Het minimum van de schaal is gelijk aan 100% van het wettelijk minimumloon. Het maximum van de schaal bedraagt 130% voor Instroombanen en 150% voor Doorstroombanen.

Overzichten wettelijk minimum loon periode 1 januari 2009 - 1 januari 2011
Wettelijk Minimum Loon per 1 januari 2009 Opent PDF-bestand
Wettelijk Minimum Loon per 1 juli 2009 Opent PDF-bestand
Wettelijk Minimum Loon per 1 januari 2010

Wettelijk Minimum Loon per 1 juli 2010 Opent PDF-bestand

Wettelijk Minimum Loon per 1 januari 2011 Opent PDF-bestand

  Wettelijk Minmum Loon per 1 juli 2011 Opent PDF-bestand
Salarisschaal 0 : I/D-banen, salarisbedragen met ingang van 1 januari 2012 in euro's, afgerond op eurocenten.

I/D-banen

 

Instroombaan

Doorstroombaan

Periodiek

 

 

 

0

 

1446,60

1446,60

1

 

1513,08

1513,08

2

 

1548,62

1548,62

3

 

1585,75

1585,75

4

 

1626,13

1626,13

5

 

1672,93

1672,93

6

 

1722,29

1722,29

7

 

1773,11

1773,11

8

 

1825,40

1825,40

9

 

1880,58

1880,58 

10

 

1948,73

11

 

2018,92

12

 

2092,72 

13

 

2169,90

9.2

Wachtgeld

1.

Voor de overgang van de wachtgeldregeling naar de in artikel 11.6 van de CAO bedoelde regeling gelden de volgende afspraken voor werknemers, die op grond van de in artikel 3.2 van de CAO 2007-2008 (Uitvoeringsregeling L; digitaal beschikbaar via www.fcbwjk.nl ) genoemde redenen tot ontslag recht zou hebben op wachtgeld:

a.

Indien sprake is van een van de in artikel 3.2 lid 1 van de CAO 2007-2008 genoemde redenen tot ontslag, en de maatregel die tot het ontslag leidt blijkt uit:

 

-

Een definitief besluit dat voor 1 januari 2009 is genomen,

 

-

Een voorgenomen besluit waarvoor voor 1 januari 2009 een adviesaanvraag is neergelegd bij de OR,

 

-

Een voor 1 januari 2009 met de vakbonden overeengekomen sociaal plan,

 

-

Een voor 1 januari 2009 aan de vakbonden gestuurde uitnodiging om te overleggen over een sociaal plan,

 

behouden de werknemers die worden ontslagen, mits ze zich aantoonbaar hebben ingezet om een andere baan te vinden, recht op wachtgeld overeenkomstig het gestelde in Uitvoeringsregeling L Wachtgeld. De werknemer die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, voldoet voor de duur van de arbeidsongeschiktheid aan de hiervoor genoemde verplichting door volledig mee te werken aan het afgesproken re-integratietraject. Dit recht treedt niet in de plaats van mogelijk gunstigere afspraken waarop de werknemer op 1 januari 2009 als individueel verworven recht aanspraak kan doen gelden.

b.

Voor de werknemer die op grond van de in artikel 3.2 van de CAO 2007-2008 (Uitvoeringsregeling L) genoemde redenen tot ontslag recht zou hebben op wachtgeld, die op 1 mei 2007 in dienst was en die op 1 januari 2009 50 jaar en ouder maar jonger dan 55 jaar is, geldt in aanvulling op en in afwijking van artikel 11.6:

 

-

Als voor de werknemer recht op aanvulling WW ontstaat, is dit recht niet beperkt tot de duur van de WW, maar tot 48 maanden. Daarbij wordt de uitkering na ommekomst van de WW-periode verrekend met inkomsten uit arbeid sociale verzekeringsuitkeringen, pensioenuitkeringen of inkomsten uit eigen bedrijf. De werkgever kan het bedrag dat hiermee gemoeid is, kapitaliseren en als een uitkering ineens doen om te voorkomen dat de aanvulling in mindering wordt gebracht op sociale uitkeringen.

 

-

De werknemer ontvangt een extra ontslagvergoeding van 1 maandsalaris

c.

Voor de werknemer die op grond van de in artikel 3.2 van de CAO 2007-2008 (Uitvoeringsregeling L) genoemde redenen tot ontslag recht zou hebben op wachtgeld, die op 1 mei 2007 in dienst was en op 1 januari 2009 55 jaar of ouder is blijft de wachtgeldregeling van kracht overeenkomstig het gestelde in Uitvoeringsregeling L Wachtgeld van de CAO 2007-2008.

 

 

 

2.

Binnen het kader van dit artikel wordt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:685 BW Open deze wet (nieuw venster) wegens de in voorgaande leden bedoelde omstandigheden gelijk gesteld aan ontslag.

Terug naar boven

9.3

Bepalingen salarisregeling en functiegebouw

A.

Garantiebepalingen

1.

Alle schalen zijn voorzien van garantieperiodieknummers zoals weergegeven in Bijlage II. Bij de invoering van het functieloongebouw op 31 december 2003, 23.59 uur, zijn deze garantieperiodieknummers toegepast in situaties waarin het maximum van de salarisschaal van de werknemer op 31 december 2003 hoger was dan het maximum van de nieuwe salarisschaal.

2.

De werknemer die bij de invoering als bedoeld in het eerste lid is ingeschaald in een garantieperiodieknummer dat hoort bij de nieuwe salarisschaal houdt recht op inschaling in dit garantieperiodieknummer zolang hij dezelfde functie blijft uitoefenen bij de werkgever of diens rechtsopvolger.

3.

De werknemer die bij de invoering als bedoeld in het eerste lid recht heeft verkregen op doorgroei tot een garantieperiodieknummer dat hoort bij de nieuwe salarisschaal, behoudt dit recht zolang hij dezelfde functie blijft uitoefenen bij de werkgever of diens rechtsopvolger.

4.

De garantieperiodieknummers worden geïndexeerd met de algemene loonontwikkeling van de CAO.

 

 

 

B.

Invoering Functieloongebouw per 31 december 2003, 23.59 uur, en het Reglement Bezwarencommissies

Voor zover de invoering van het per 31 december 2003, 23.59 uur, van kracht zijnde functieloongebouw nog niet is afgerond, blijven de bepalingen uit hoofdstuk 4 (Invoering functieloongebouw per 31 december 2003 om 23.59 uur) en hoofdstuk 5 (Reglement Bezwarencommissies) van Uitvoeringsregeling A Salariëring uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2004 onverminderd van toepassing.

 

 

 

C.

Opheffing van de bezwarencommissies

Voor de bezwarencommissies zoals geregeld in artikelen 5.2, 5.3 en 5.4 van Uitvoeringsregeling A Salariëring uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2004 geldt dat deze commissies worden opgeheven als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 

-

alle werknemers in de sector Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening zijn overeenkomstig de salarisregeling ingedeeld in een functie en een daarbij passende salarisschaal;

 

-

geen van die werknemers kan op grond van het Reglement Bezwarencommissies uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2004 een bezwaar- of beroepschrift (meer) indienen;

 

-

alle ingediende bezwaren en beroepszaken zijn afgehandeld.

 

 

 

9.4

Vervroegde uittreding

ARTIKEL 1

Deze regeling verstaat onder:

a.

 

ontslag: ontslag met recht op een uitkering volgens dit artikel, namelijk indien:

 

-

61 jaar of ouder is en direct voorafgaand aan de datum van het ontslag een ononderbroken diensttijd heeft van minstens 10 jaren;

 

-

jonger is dan 61 jaar en een diensttijd heeft van 40 jaren, waarvan de laatste 10 jaren direct voorafgaand aan de datum van het ontslag ononderbroken zijn geweest.;

b.

belanghebbende: de werknemer aan wie het ontslag zoals bedoeld onder a is verleend;

c.

uitkering: de uitkering zoals bedoeld in artikel 4 van deze regeling;

d.

diensttijd: de tijd doorgebracht als werknemer in dienst van een of meer instellingen die materieel onder de werkingssfeer van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn vallen. Hiertoe behoort in ieder geval:

 

-

de tijd doorgebracht als werknemer in een instelling die valt onder de werkingssfeer van deze of een van de navolgende CAO’s:

 

 

* CAO Kinderopvang;
* CAO Jeugdzorg;
* CAO Gezinsverzorging;
* CAO Dagverblijven en Tehuizen voor Gehandicapten;
* CAO Bejaardentehuizen;
* CAO Kruiswerk en Tuberculosebestrijding;
* CAO Thuiszorg;
* CAO Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg;
* CAO Ziekenhuiswezen;
* CAO Schippersinternaten;
* CAO Verzorgingshuizen;

 

-

de tijd doorgebracht als ambtenaar in een instelling zoals bedoeld in artikel B 3 van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet c.q. de Wet Privatisering ABP, op voorwaarde dat de aard van de door deze instelling verrichte werkzaamheden dezelfde is als van de instellingen die materieel onder de werkingssfeer van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn vallen.

 

Bij de berekening van de diensttijd wordt niet als onderbreking beschouwd: een vrijwillige onderbreking van twee maanden of minder en een onderbreking wegens onvrijwillige werkloosheid in de zin van de werkloosheidswetgeving van een jaar of korter.

e.

laatstgenoten salaris:

 

1.

het salaris verhoogd met het bedrag van de vakantietoeslag en de structurele eindejaarsuitkering waarop belanghebbende over de maand – gerekend vanaf de dag voorafgaand aan zijn ontslag – recht op had of, bij waarneming van zijn functie, zou hebben gehad, met dien verstande dat:

 

 

a.

als dit salaris geheel of gedeeltelijk uit wisselende inkomsten bestaat, dan zal het gemiddelde salaris over de laatste twaalf volle kalendermaanden voorafgaand aan het ontslag gelden als laatstgenoten salaris of als deel daarvan;

b.

eveneens geldt als deel van het laatstgenoten salaris de over de twaalf volle kalendermaanden voorafgaand aan het ontslag gemiddeld per maand ontvangen toelage, zoals bedoeld in artikel 5.2.1. van de CAO.

 

2.

Wanneer de belanghebbende in dienst was gebleven en er zou, anders dan door de toekenning van periodieke verhogingen, wijziging zijn gekomen in zijn laatstgenoten salaris, dan zal vanaf de dag van inwerkingtreding van die wijziging het op deze manier gewijzigde salaris als laatstgenoten salaris gelden.

 

3.

Heeft er in de loop van het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag een aanmerkelijke wijziging plaatsgevonden in de omvang van de werkzaamheden, dan zal, in afwijking van de vorige leden, het gemiddelde salaris over hiervoor genoemd jaar gelden als laatstgenoten salaris.

 

4.

Het OAW kan in bijzondere gevallen op verzoek van de belanghebbende of de werkgever afwijken van het bepaalde in de vorige leden, ten gunste van de belanghebbende.

 

 

 

ARTIKEL 2

1.

Aan de werknemer wordt op zijn verzoek ontslag verleend met recht op een uitkering, zoals bedoeld in artikel 4 van deze regeling, op voorwaarde dat hij op de datum van zijn ontslag:

 

a.

Aan de werknemer wordt op zijn verzoek ontslag verleend met recht op een uitkering, zoals bedoeld in artikel 4 van deze regeling, op voorwaarde dat hij op de datum van zijn ontslag:

 

b.

jonger is dan 61 jaar en een diensttijd heeft van 40 jaren, waarvan de diensttijd de laatste 10 jaren direct voorafgaand aan de datum van het ontslag ononderbroken moeten zijn geweest.

2.

Het in het voorgaande lid bepaalde geldt niet voor de werknemer die als deelnemer in het Pensioenfonds Zorg en Welzijn gebruik kan (gaan) maken van de Overbruggingsregeling van het PGGM Opent in nieuw venster of recht heeft op Flexpensioen van Pensioenfonds Zorg en Welzijn Opent in nieuw venster of op een daarmee vergelijkbare regeling.

3.

Vanaf 1 januari 2006 gelden de artikelleden 2.1 en 2.2 alleen voor medewerkers die geboren zijn vóór 1 januari 1949.

4.

Indien toepassing van artikel 2.3 voor individuele werknemers leidt tot onevenredig grote nadelen ten opzichte van Pensioenfonds Zorg en Welzijn -deelnemers, zullen na melding partijen bij deze CAO hierover in overleg treden.

 

 

 

ARTIKEL 3

1.

De belanghebbende heeft recht op een uitkering met ingang van de datum van ontslag.

2.

De werkgever kent de uitkering toe op schriftelijke aanvraag door de belanghebbende. De belanghebbende is verplicht binnen twee maanden na zijn verzoek de voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens aan de werkgever te overleggen.

 

 

 

ARTIKEL 4

1.

De uitkering bedraagt voor de werknemer geboren:

in 1941 78%
in 1942 77%
in 1943 76%
in 1944 75%
in 1945 74%
in 1946 73%
in 1947 72%
in 1948 71%
na 1948 70%

van het laatstgenoten salaris. Dit op voorwaarde dat het bedrag van de uitkering, samen met andere inkomsten uit arbeid, niet lager is dan een bedrag dat op dezelfde wijze is vastgesteld als de berekening van het bruto ouderdomspensioen en de bruto vakantietoeslag van een gehuwde met volledige toeslag voor een partner jonger dan 65 jaar, zoals aangegeven in artikel 8, respectievelijk artikel 29 van de Algemene Ouderdomswet Opent in nieuw venster (Stb. 1965, 429).

2.

Wordt de in lid 1 bedoelde uitkering toegekend op grond van ontslag uit een deeltijddienstverband, dan wordt het in lid 1 bedoelde minimumbedrag naar evenredigheid verminderd.

3.

De uitkering wordt in maandelijkse termijnen betaald.

 

 

 

ARTIKEL 5

De belanghebbende heeft, om de gedeeltelijke of volledige voortzetting van zijn deelneming aan de voor hem geldende pensioenregeling voort te zetten, tijdens de periode dat hij de uitkering geniet, recht op maximaal 50% van het over zijn laatstgenoten salaris verschuldigde werkgeversaandeel in de kosten van deze pensioenvoorziening. Dit recht geldt slechts als de werknemer zelf eveneens minstens de helft van het werknemersaandeel van de aan deze voortzetting verbonden kosten voor zijn rekening neemt.

 

 

 

ARTIKEL 6

1.

De inkomsten die de belanghebbende geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden in mindering gebracht op de uitkering. Dit geschiedt over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

2.

Heeft de belanghebbende arbeid of bedrijf uitgevoerd voor de datum van het ontslag en gaat hij daardoor na die datum uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten genieten, dan geldt het eerste lid, tenzij de belanghebbende aannemelijk maakt dat die inkomsten, vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid en evenmin verband houden met het ontslag. Het in de vorige volzin bepaalde geldt echter niet wanneer de belanghebbende arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen gedurende non-activiteit of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, dan wel binnen een termijn korter dan een jaar voorafgaand aan het ontslag.

3.

De uitkering van de belanghebbende wordt verminderd met het bedrag van de aanspraken die de belanghebbende na zijn ontslag op grond van ziekte in verband met dat dienstverband nog heeft. Dit geschiedt tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan.

4.

Als bij het bedrag van de inkomsten, zoals bedoeld in de voorgaande leden, een vergoeding in het kader van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene Weduwen- en Wezenwet, inbegrepen is of kan zijn, dan blijft deze vergoeding bij de toepassing van dit artikel buiten beschouwing.

5.

In bijzondere gevallen kan het OAW op verzoek van de belanghebbende of de betrokken werkgever van het in dit artikel bepaalde afwijken, ten gunste van belanghebbende.

 

 

 

ARTIKEL 7

1.

De belanghebbende is verplicht van het starten van enige arbeid of bedrijf direct mededeling te doen aan de voormalige werkgever onder opgave, voorzover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die werkzaamheden zal verkrijgen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van inkomsten die hij sinds het starten van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Het OAW kan uitgebreidere voorschriften geven met betrekking tot het doen van mededelingen door de belanghebbende over de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

2.

Zijn de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten zodanig dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave op deze manier en wordt de uitkering verminderd met een voorlopig vastgesteld bedrag, onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de langere termijn. Voor deze verrekening geldt artikel 6, op voorwaarde dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn, in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

3.

Het in de voorgaande leden bepaalde geldt overeenkomstig ten aanzien van arbeid of het bedrijf en de inkomsten daaruit, zoals bedoeld in artikel 6 lid 2, en eveneens ten aanzien van aanspraken zoals bedoeld in artikel 6 lid 3.

4.

De belanghebbende aan wie een uitkering is toegekend stemt door het aanvaarden van de uitkering er in toe iedereen, die daarvoor naar het oordeel van het OAW in aanmerking komt, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen te geven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze regeling.

 

 

 

ARTIKEL 8

Is de belanghebbende langer dan een jaar, al dan niet begonnen voor de datum van ingang van zijn ontslag, wegens ziekte verhinderd arbeid te verrichten, dan kan hij door de werkgever worden verplicht zich geneeskundig te laten onderzoeken.

 

 

 

ARTIKEL 9

1.

Het recht op uitkering eindigt:

 

a.

met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt;

 

b.

met ingang van de dag die volgt op de dag waarop de belanghebbende is overleden;

 

c.

met ingang van de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de belanghebbende in het genot wordt gesteld van een naar volledige arbeidsongeschiktheid berekende uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering;

 

d.

behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, met ingang van de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de belanghebbende op grond van het dienstverband waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen in het genot wordt gesteld van het invaliditeitspensioen, zoals bedoeld in artikel E 1, lid 1 sub b, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet c.q. de Wet Privatisering ABP Opent in nieuw venster .

 

Op voorwaarde dat de onder c of d toegekende inkomensvervangende arbeidsongeschiktheidsuitkering lager is dan de uitkering die de betrokkene als belanghebbende in de zin van deze regeling zou hebben ontvangen wanneer het bepaalde onder c of d niet op hem van toepassing zou zijn geweest, wordt het verschil hem bij wijze van toelage uitgekeerd. Het hiervoor in sub a en b bepaalde is mede op de toelage van toepassing.

 

 

 

2.

In afwijking van het gestelde in het vorige lid, onder d, eindigt het recht op uitkering met ingang van de dag dat de belanghebbende op grond van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard voor het vervullen van het dienstverband dat gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte periode op hem van toepassing was. Op grond van bovenstaande ziekte of gebreken wordt hem het invaliditeitspensioen, zoals bedoeld in artikel E 1, lid 1 sub b, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet c.q. de Wet Privatisering ABP Opent in nieuw venster , toegekend.

 

 

 

3.

Het recht op uitkering kan geheel of gedeeltelijk vervallen als de belanghebbende de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt.

 

 

 

ARTIKEL 10

1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, naast de uitbetaling van de uitkering tot en met de laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvond, een uitkering ineens toegekend die gelijk is aan twee maandelijkse uitkeringsbedragen.

 

Wordt op de uitkering een vermindering toegepast volgens artikel 6 of 7, dan is het bedrag dat als gevolg van de voorafgaande volzin wordt toegekend het tweevoudige van de uitkering waarop de belanghebbende over de gehele maand voorafgaande aan de maand waarin zijn overlijden plaatsvond aanspraak heeft gehad.

2.

Wanneer er geen nabestaanden, zoals bedoeld in lid 1 zijn, wordt de uitkering toegekend aan degene(n) van wie de overledene kostwinner was.

3.

Wanneer er geen nabestaanden, zoals bedoeld in lid 1 en 2 zijn, kan in bijzondere gevallen de in lid 1 bedoelde uitkering worden uitbetaald aan de persoon of personen die daar volgens de werkgever naar billijkheidsoverwegingen voor in aanmerking komt/komen.

4.

De uitkering zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nabestaanden door het overlijden van de belanghebbende volgens een wettelijk voorgeschreven arbeidsongeschiktheidsverzekering toekomt.

 

 

 

ARTIKEL 11

Het OAW kan voor de toepassing van deze regeling nadere voorschriften geven.

 

 

 

ARTIKEL 12

In bijzondere gevallen of groepen van gevallen waarin de toepassing van deze regeling tot een volgens het OAW onredelijke uitkomst leidt, is het OAW bevoegd een beslissing te nemen die met de strekking van deze regeling overeenkomt.

Terug naar boven

9.5

Medezeggenschap

Bestaande afspraken en praktijk op grond van artikel 14.1 van de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2007-2008 blijven bestaan tot het einde van de zittingstermijn van de OR of PVT.

Artikel 14.1 van de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2007-2008 is digitaal beschikbaar op www.fcbwjk.nl.