FCB werkt voor de branches:
Dienstverlenen in Arbeidsmarktvraagstukken

Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening

Print

CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011

    • CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011
    • >
    • Modellen en regelingen
    • >
    • Modaliteiten 36-urige werkweek

Modaliteiten 36-urige werkweek

In de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011 is in artikel 3.2 lid 7 het volgende vastgelegd:

3.2. lid 7
              

De in artikel 9.3 van de CAO 2007-2008 geregelde modaliteiten voor de invulling van de arbeidsduur blijven voor de werknemer van kracht, totdat een nieuwe werktijdenregeling wordt ingevoerd met instemming van de Ondernemingsraad of Personeelsvertegenwoordiging. Deze modaliteiten zijn digitaal toegankelijk op de website www.fcb.nl

Hieronder treft u de tekst aan van artikel 9.3 van de CAO 2007-2008. 

Artikel 9.3 Modaliteiten 36-urige werkweek

1.

De gemiddeld 36-urige werkweek wordt vormgegeven en ingevuld volgens onderstaande modaliteiten. Daarnaast kan de werknemer met een volledig dienstverband afwijken van onderstaande modaliteiten en overeenkomstig het gestelde in hoofdstuk 8 CAO à la Carte kiezen voor de modaliteit in artikel 8.7. 

 

Modaliteit 1

 

a.

De werknemer met een volledig dienstverband die doorgaans op vaste tijden werkt, verricht zijn werkzaamheden gedurende 40 uur per week. 

 

b.

De werknemer met een volledig dienstverband die op wisselende tijden werkt, verricht zijn werkzaamheden gedurende 160 uur per vier weken. De maximale arbeidsduur per week bedraagt 50 uur. 

 

Uitwerking modaliteit 1

 

c.1

Als de werknemer meer dan 36 uur per week werkt, worden de extra uren later – in blokken van 4 of 8 doorbetaalde aaneengesloten uren – als extra vrije tijd beschikbaar gesteld, tenzij de werkgever, met instemming van de OR, overeenkomstig artikel 27 WOR Opent in nieuw venster een andere manier overeenkomt om de uren beschikbaar te stellen. 

 

c.2

Hetzelfde geldt voor de parttime werknemer, alleen kunnen de extra gewerkte uren ook in kleinere of grotere blokken vrije tijd beschikbaar worden gesteld. Dit sluit beter aan bij de omvang van de dagelijkse arbeidsduur van de parttime werknemer. Bovendien wordt versnippering van de vrije tijd op die manier voorkomen. 

 

d.

De werkgever kan besluiten of en zo ja in hoeverre de doorbetaalde uren extra vrije tijd collectief moeten worden opgenomen. In dat geval moet de werkgever tijdig overleggen met de OR over de wijze en het tijdstip waarop deze uren vrije tijd kunnen worden opgenomen. De OR heeft hierbij instemmingsrecht overeenkomstig artikel 27 WOR Opent in nieuw venster

 

e.

Als de werkgever geen collectieve regeling zoals in sub d treft, kan hij – na overleg met de OR – besluiten dat de extra gewerkte uren door de individuele werknemer slechts binnen bepaalde grenzen vrij opneembaar zijn als doorbetaalde uren extra vrije tijd. In dat geval moet de werkgever tijdig overleggen met de OR over de wijze en het tijdstip waarop deze uren vrije tijd kunnen worden opgenomen. Ook hierbij heeft de OR instemmingsrecht overeenkomstig artikel 27 WOR Opent in nieuw venster

 

f.

In alle andere gevallen bepaalt de werkgever tijdig in overleg met de individuele werknemer het tijdstip van aanvang en einde van de blokken aaneengesloten doorbetaalde uren extra vrije tijd. 

2.

Als de werkgever modaliteit 1 wil wijzigen of aanvullen, moet hij, met instemming van de OR overeenkomstig artikel 27 WOR Opent in nieuw venster, een werktijdenregeling vaststellen waarin de binnen de instelling te hanteren modaliteit(en) is (zijn) opgenomen. De volgende modaliteiten staan de werkgever hierbij ter beschikking. 

 

Modaliteit 2 

 

Werkweken met een variabele arbeidsduur, waarbij maximaal een negende deel van de vastgelegde gemiddelde omvang van het dienstverband per week naar boven of naar beneden kan worden afgeweken. Aan het eind van het desbetreffende kalenderjaar mag er geen urensaldo resteren, tenzij werkgever en werknemer andere afspraken hebben gemaakt. 

 

Modaliteit 3

 

Andere werktijdenregelingen waarvoor instemming van de OR overeenkomstig artikel 27 WOR Opent in nieuw venster nodig is. De werkgever die voor een individuele werknemer een werktijdenregeling wil instellen waarbij voor meer dan een negende deel wordt afgeweken van de vastgelegde gemiddelde omvang van het dienstverband per week, kan deze wijziging alleen laten plaatsvinden met instemming van de werknemer. 

3.

Nadat de werkgever, met instemming van de OR overeenkomstig artikel 27 WOR Opent in nieuw venster, een keuze heeft gemaakt uit bovenstaande modaliteiten: 

 

stelt de werkgever, als er een keuzemogelijkheid is in overleg met de werknemer, de individueel toepasselijke modaliteit vast; 

 

én stelt de werkgever, als het gaat om een werktijdenregeling zoals beschreven in de modaliteiten 2, 3 en de modaliteit in artikel 8.7 lid 3, na overleg met de werknemer de individuele werktijdenregeling vast. 

4.

Als de inhoud van lid 1 of 2 leidt tot een wijziging van de werktijden die met de individuele werknemer zijn afgesproken, moet de werknemer daarmee instemmen. 

5.

a.

Als de werknemer arbeidsongeschikt raakt of als hij verlof met behoud van salaris geniet, blijft de afgesproken werktijdenregeling gelden. 

 

b.

In het geval van de modaliteiten 1, 2 en 3 en de modaliteit in artikel 8.7 lid 3 betekent dit: 

 

 

  • dat wanneer de werknemer arbeidsongeschikt is of als hij betaald verlof geniet,
    de opbouw van extra gewerkte uren op de gebruikelijke wijze en volgens de
    geldende werktijdenregeling plaatsvindt;
  • én dat als bovenstaande zich voordoet op het tijdstip waarop de werknemer de
    extra vrije tijd zal opnemen, de aanspraak hierop komt te vervallen.

 

c.

De werkgever kan een afwijkende regeling vaststellen (zie artikel 1.9), wat betekent: 

 

 

  • dat wanneer de werknemer arbeidsongeschikt raakt of als hij betaald verlof geniet, de opbouw van extra gewerkte uren niet op de gebruikelijke wijze en volgens de geldende werktijdenregeling plaatsvindt;
  • én dat als de werknemer arbeidsongeschikt is op het tijdstip dat hij de extra vrije tijd zal opnemen, de aanspraak hierop niet komt te vervallen, maar op een ander tijdstip kan worden opgenomen.

6.

Als het tijdstip waarop de werknemer de extra gewerkte uren opneemt niet voortvloeit uit de werktijdenregeling, stelt de werkgever de werknemer in de gelegenheid de extra gewerkte uren binnen het desbetreffende kalenderjaar op te nemen. Dit gebeurt in de vorm van doorbetaalde uren extra vrije tijd. Als de werknemer geen gebruik maakt van deze gelegenheid, stelt de werkgever na afloop van het kalenderjaar vast wanneer de extra gewerkte uren als doorbetaalde uren extra vrije tijd kunnen worden opgenomen.