FCB werkt voor de branches:
Dienstverlenen in Arbeidsmarktvraagstukken

Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening

Print

CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011

    • CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011
    • >
    • Modellen en regelingen
    • >
    • Wachtgeld artikel 3.2 en uitvoeringsregeling L uit de CAO 2007-2008

Wachtgeld artikel 3.2 en uitvoeringsregeling L uit de CAO 2007-2008

In de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2008-2011 wordt in Bijlage 9.2 Wachtgeld verwezen naar artikel 3.2 en Uitvoeringsregeling L uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2007-2008. 

Hieronder treft u de tekst aan van artikel 3.2 en Uitvoeringsregeling L van de CAO W&MD 2007-2008: 

     
 
  • Artikel 3.2 Wachtgeld
  • Uitvoeringsregeling L - Wachtgeld
  •      

    Artikel 3.2 Wachtgeld

         

    1.

    Aan de werknemer die is of wordt ontslagen wegens uitsluitend: vermindering of beëindiging van de werkzaamheden van de instelling als gevolg van een verlaging of beëindiging van de financiering die de werkgever van de overheid1 ontvangt: hieronder wordt niet verstaan een vermindering of beëindiging van de werkzaamheden als gevolg van het niet langer door de werkgever uitvoeren van een eerder door de overheid gegunde opdracht, doordat deze opdracht na een procedure van aanbesteding2 aan een andere opdrachtnemer is gegund dan wel een reorganisatie of fusie van de instelling vanwege (een wijziging van) het overheidsbeleid ten aanzien van de door de werkgever in standgehouden voorziening(en); wordt een wachtgeld toegekend overeenkomstig de bepalingen van Uitvoeringsregeling L Wachtgeld, onder de volgende voorwaarden: de werknemer die op het tijdstip van ontslag jonger is dan 50 jaar, kan maximaal gedurende 4 jaar wachtgeld ontvangen; in afwijking van het hiervoor in dit lid bepaalde heeft de werknemer die op of na 1 januari 2006 in dienst treedt geen recht op het in dit lid genoemde wachtgeld met uitzondering van de werknemer die direct voorafgaand aan indiensttreding en voor 1 januari 2006 werkzaam was bij een werkgever als bedoeld in artikel 1.3. 

    2.

    a.

    De werknemer, in dienst van een instelling zoals bedoeld in artikel 1.3, onderdeel A.10, van de CAO, ontvangt wachtgeld overeenkomstig de bepalingen van Uitvoeringsregeling L Wachtgeld, wanneer hij uitsluitend wordt ontslagen wegens het door derden/ opdrachtgevers minder of niet langer betrekken van door de instelling uitgevoerde activiteiten. Dit gebeurt op voorwaarde dat de werknemer, die op het tijdstip van ontslag jonger is dan 50 jaar, maximaal gedurende 4 jaar wachtgeld kan ontvangen. 

     

    b.

    Een in sub a bedoelde werkgever kan bij partijen bij de CAO een verzoek indienen om een van Uitvoeringsregeling L afwijkende, alleen voor de eigen instelling geldende, wachtgeldregeling te mogen toepassen, die in schriftelijke overeenstemming tussen werkgever en ondernemingsraad is overeengekomen. Deze instellingsregeling maakt deel uit van de CAO. 

    3.

    a.

    De werknemer die op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gedurende minstens twee jaren gewerkt heeft binnen het kader van een door het Ministerie van VWS erkend experiment dat gedurende minstens twee jaar in uitvoering is geweest, ontvangt in het geval van een beëindiging van de subsidiëring van zijn functie door de overheid, een wachtgeld overeenkomstig de bepalingen van Uitvoeringsregeling L Wachtgeld. Dit geldt alleen wanneer de werkgever niet dezelfde of geen inwisselbare functie voor hem heeft, op voorwaarde dat degenen die op het tijdstip waarop de dienstbetrekking eindigt jonger zijn dan 50 jaar, maximaal gedurende 4 jaar wachtgeld kan ontvangen. 

     

    b.

    Het in sub a bepaalde geldt ook voor een door een gemeente of provincie erkend experiment waarbij die gemeente of provincie in haar subsidieverordening of bij erkenning van dat experiment bepaald heeft dat dit experiment in aanmerking komt voor subsidiëring volgens Uitvoeringsregeling L Wachtgeld. 

    4.

     

    Binnen het kader van dit artikel wordt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:685 BW Open deze wet (nieuw venster)wegens de in de voorgaande leden bedoelde omstandigheden gelijkgesteld aan ontslag. 

    5.

    Als een werknemer op of na 1 mei 2005 wordt ontslagen om de in lid 1 genoemde redenen wordt de werknemer: 

     

    a.

    Een herplaatsingstraject aangeboden bij een gespecialiseerd bureau. De inhoud van dit traject is maatwerk en komt tot stand in overleg tussen werknemer en werkgever. Dit traject bevat op zijn minst een intakegesprek en de daaruit voortvloeiende rapportage door het gespecialiseerde bureau; 

     

    b.

    een EVC-procedure3 aangeboden door de werkgever. 

    6.

    Partijen bij deze CAO zullen nieuwe afspraken maken over het bevorderen van werkzekerheid en inkomenszekerheid voor werknemers die gedwongen worden ontslagen. Partijen stellen zich ten doel de invoering van de regeling Werkzekerheid-Inkomenszekerheid (WIZ) per 1 januari 2008 te laten plaatsvinden. Hierover zijn partijen het volgende overeengekomen: 

     

    Partijen hebben vastgesteld, dat de in eerste instantie gemaakte afspraken over de vervanging van de wachtgeldregeling door de regeling Werkzekerheid Inkomenszekerheid (WIZ) te weinig ruimte laten voor decentrale afspraken tussen werkgevers en vakorganisaties en ook op diverse problemen in de uitvoering kunnen stuiten. Dit betreft vooral de afspraken over de begeleiding van werk naar werk. (Zie hiervoor de bijlage bij het principe-akkoord d.d. 17 april 2007 “Afspraken Werkzekerheid en Inkomenszekerheid”, opgenomen in Uitvoeringsregeling L1). Werkgever en werknemer hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de employability.
    De werknemer werkt actief aan het bevorderen van zijn employability. De werkgever ondersteunt de werknemer daarbij actief door een passend instrumentarium aan te bieden.
    De beschikbaarheid van een goed instrumentarium om employability beleid vorm te geven is gewenst als basis voor het in de WIZ opgenomen beleid. Daarom zullen partijen instrumenten ontwikkelen om het employability beleid in de ondernemingen te ondersteunen.

    Een goed draagvlak voor deze belangrijke regeling is essentieel voor het succes, evenals een goede voorbereiding en begeleiding van de uitvoering.

    Derhalve hebben partijen afgesproken meer tijd te nemen om de regelingen in zake de begeleiding van werknemers van werk naar werk zodanig vorm te geven dat: er ruimte bestaat voor ondernemingen om een eigen sociaal plan met de vakbonden af te sluiten, waarbij afgeweken kan worden van de in het principeakkoord vastgelegde afspraken over faciliteiten om boventallige werknemers van werk naar werk te helpen (Fase 2) en waarbij de afwijkende faciliteiten naar de overtuiging van partijen effectief zijn voor het bereiken van het beoogde doel: werknemers met succes van werk naar ander werk helpen; de hanteerbaarheid en uitvoerbaarheid van de regelingen is gewaarborgd.

    Het bovenstaande zal geschieden op basis van de hoofdstructuur van de afspraken in het principe akkoord, namelijk: de arbeidsmarktfitheid van de werknemer bepaalt in hoge mate aard en omvang van de maatregelen, die worden ingezet voor de begeleiding van werk naar werk de arbeidsmarktfitheid wordt op een objectieve wijze vastgesteld

    Partijen stellen zich ten doel de invoering van de aangepaste WIZ per 1 januari 2008 te laten plaatsvinden. De daartoe benodigde tekstwijzigingen in de CAO zullen op dat moment worden doorgevoerd.

    Als gevolg van dit uitstel wordt de wachtgeldregeling zoals geregeld in artikel 3.2 van de CAO W&MD 2006-2007 met ingang van 1 mei 2007 opnieuw van kracht totdat de invoering van de aangepaste WIZ een feit is. Op dat moment zullen de eerder afgesproken overgangsregelingen van toepassing worden verklaard, met dien verstande dat de daarin opgenomen data in beginsel met even zoveel maanden als de invoering later ligt dan 1 mei 2007 verschuiven.

    Partijen hebben voorts afgesproken, dat in de periode waarin de aangepaste WIZ nog niet van kracht is, de werkgever, indien sprake is van boventalligheid van werknemers als gevolg van reorganisatie of verlies van opdrachten in overleg zal treden met de vakorganisaties om een sociaal plan af te spreken. 

         
     

    Uitvoeringsregeling L
    Wachtgeld

    (ex artikel 3.2) 

    Artikel 1

    1.

    De in artikel 3.2 van de CAO bedoelde werknemer – hierna aangeduid als rechthebbende – komt met ingang van de datum van ontslag in aanmerking voor wachtgeld, dat bestaat uit een maandelijkse uitkering door de voormalige werkgever. 

    2.

    De berekeningsgrondslag voor het wachtgeld is het laatstgenoten salaris verhoogd met de eindejaarsuitkering en het bedrag van de vakantietoeslag waarop belanghebbende over de maand – gerekend vanaf de dag voorafgaand aan zijn ontslag – aanspraak had of bij waarneming van zijn functie zou hebben gehad, met dien verstande dat: 

     

    a.

    als dit salaris geheel of gedeeltelijk uit wisselende inkomsten bestaat, geldt als laatstgenoten salaris of als deel daarvan het gemiddelde salaris over de laatste twaalf volle kalendermaanden voorafgaand aan het ontslag; 

     

    b.

    als deel van het laatstgenoten salaris geldt tevens het bedrag dat over de twaalf volle kalendermaanden voorafgaand aan het ontslag gemiddeld per maand aan toelage (als bedoeld in artikel 7.13 van de CAO) aan belanghebbende is toegekend. 

    3.

    Zou in het laatstgenoten salaris om andere redenen dan door periodieke verhogingen wijziging zijn gekomen wanneer de rechthebbende in dienst zou zijn gebleven, dan zal vanaf de dag dat die wijziging in werking zou treden, het op die manier gewijzigde salaris als laatstgenoten salaris gelden. 

    Artikel 2

    1.

    De rechthebbende is verplicht zich binnen 14 dagen na de aanzegging van zijn ontslag in te laten schrijven bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en deze inschrijving te handhaven. 

    2.

    De rechthebbende aan wie ontslag is aangezegd en die na die mededeling een hem aangeboden dienstverband, dat gezien zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passend geacht wordt, heeft geweigerd, heeft geen recht op wachtgeld. 

    3.

    De rechthebbende is verplicht zijn inkomsten uit arbeid of bedrijf, verkregen na zijn ontslagaanzegging, of door hem ontvangen uitkeringen vanwege sociale verzekeringen, direct op te geven bij de voormalige werkgever. 

    Artikel 3

    In deze regeling geldt als definitie voor diensttijd:
    de diensttijd voor onbepaalde of bepaalde tijd doorgebracht in een dienstverband met een werkgever die onder de werkingssfeer van deze CAO, de CAO Kinderopvang of de CAO Jeugdzorg of de CAO Gezinsverzorging valt, met uitzondering van de tijd: 

     

    a.

    die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd door ontslag van langer dan een jaar, tenzij voor de toepassing van artikel 4, tweede en derde lid; 

     

    b.

    die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een wachtgeld of van een uitkering als gevolg van onvrijwillige werkloosheid, tenzij voor de toepassing van artikel 4, tweede en derde lid. 

    Artikel 4

    1.

    De duur van het wachtgeld bedraagt drie maanden. Voor de rechthebbende die op de dag van het ontslag nog geen 21 jaar oud is, wordt daar een duur gelijk aan 18% van zijn diensttijd bij opgeteld, voor de rechthebbende die op de dag van ontslag 21 jaar oud is een duur gelijk aan 19,5% van zijn diensttijd, en zo per leeftijdsjaar opklimmend met 1,5% tot aan de rechthebbende die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is. Voor laatstgenoemde bedraagt de vermeerdering 78%. De rechthebbende die op de datum van ontslag jonger is dan 50 jaar krijgt maximaal gedurende 4 jaar wachtgeld. 

    2.

    Voor de rechthebbende die bij aanvang van de in lid 1 bedoelde diensttijd wachtgeld ontving volgens deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld ook rekening gehouden met de diensttijd die bij de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld in aanmerking is genomen.De op die manier berekende wachtgeldtermijn wordt verminderd met de duur van het eerder toegekende wachtgeld, met uitzondering van de verlenging bedoeld in lid 3. 

    3.

    De duur van het wachtgeld van de rechthebbende die op het tijdstip van zijn ontslag minstens 50 jaar oud was en een diensttijd van minstens 10 jaar had volbracht, wordt na afloop van de berekende wachtgeldtermijn verlengd tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt. Deze verlenging wordt niet toegepast wanneer voor een eerder toegekend wachtgeld een dergelijke verlenging reeds heeft plaatsgevonden, tenzij op die eerdere verlenging een dienstverband van minstens 10 jaar is gevolgd.
    De verlenging wordt ook niet toegepast wanneer het ontslag plaatsvindt vanuit een deeltijddienstverband van minder dan 10 uur per week. 

    Artikel 5

    Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de op grond van artikel 4, leden 1 en 2, berekende wachtgeldtermijn de eerste 3 maanden 93%, de volgende 9 maanden 83%, de volgende vier jaren 73% en vervolgens 70% van het laatstgenoten salaris, op voorwaarde dat het niet beneden het bedrag komt dat de rechthebbende op grond van doorgebrachte diensttijd onder de werkingssfeer van deze CAO, de CAO Kinderopvang, de CAO Jeugdzorg, de CAO Thuiszorg of de CAO Gezinsverzorging aan pensioen zou ontvangen, wanneer hij op de datum van het ontslag zou zijn gepensioneerd. Gedurende de in artikel 4, lid 3, beschreven verlenging is het wachtgeld gelijk aan het hiervoor bedoelde pensioen, op voorwaarde dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld minstens 40% van het laatstgenoten salaris bedraagt.

     

     

     

    Artikel 6

    1.

    Het wachtgeld wordt verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf door rechthebbende gestart met ingang van of na de datum waarop het ontslag waarvoor het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd, of door hem is aangevraagd.
    Deze vermindering wordt toegepast op het wachtgeld over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht worden betrekking te hebben. Het bedrag waarmee het wachtgeld, vermeerderd met bovengenoemde inkomsten, het laatstgenoten salaris plus vakantietoeslag overschrijdt, wordt van het wachtgeld afgetrokken. 

    2.

    Het in lid 1 bepaalde wordt overeenkomstig toegepast op inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, gestart gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag, waarvoor het wachtgeld is toegekend. 

    3.

    Wanneer de rechthebbende gestart is met arbeid of bedrijf voor de datum van het ontslag, anders dan bedoeld in lid 2 en wanneer hij na die datum uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, geldt het eerste lid. Tenzij de rechthebbende aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid en ook geen verband houden met het ontslag. In dat geval worden die inkomsten, meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan niet in aanmerking genomen voor toepassing van het eerste lid. 

    4.

    Inkomsten die zijn ontvangen voor overwerk worden niet beschouwd als inkomsten in de zin van dit artikel. 

    Artikel 7

    1.

    De rechthebbende is verplicht het starten met welke arbeid of bedrijf dan ook direct te melden aan de voormalige werkgever en, voorzover mogelijk, de inkomsten die hij uit die werkzaamheden zal ontvangen op te geven. 

    2.

    Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mee dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan moeten de inkomsten over die langere termijn worden opgegeven. Op het wachtgeld wordt dan een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag dat aan het einde van de langere termijn wordt verrekend.
    Voor deze verrekening is artikel 6 van toepassing, op voorwaarde dat de verrekening plaatsvindt over de hierboven bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk. 

    3.

    Datgene wat in voorgaande leden bepaald is wordt overeenkomstig toegepast voor arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 6, lid 2 en 3. 

    Artikel 8

    1.

    Heeft de rechthebbende aanspraak op een uitkering, volgens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, die minder bedraagt dan 70% van de berekeningsgrondslag voor die uitkering, dan wordt het wachtgeld alleen uitbetaald voor zover het die uitkering overschrijdt. 

    2.

    Wanneer de rechthebbende op grond van het dienstverband waaraan het wachtgeld wordt ontleend aanspraak heeft of kan verkrijgen op een uitkering volgens de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, of op een invaliditeitspensioen of een overbruggingsuitkering volgens de PGGM-pensioenregeling of vanaf zestigjarige leeftijd aanspraak heeft op een flexpensioenuitkering volgens de PGGM-pensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling4, dan wordt gedurende de termijn waarover die aanspraak bestaat het wachtgeld alleen uitbetaald voor zover het die uitkeringen overschrijdt. 

     

     

     

    Artikel 9

    1.

    Het recht op wachtgeld eindigt:

     

    a.

    met ingang van de eerste dag van de maand waarin de rechthebbende 65 jaar wordt; 

     

    b.

    met ingang van de dag volgend op de dag waarop de rechthebbende is overleden. 

    2.

    Het recht op wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard wanneer de rechthebbende: 

     

    a.

    zich zodanig gedraagt dat hij, als hij in dienst gebleven was, zou zijn ontslagen; 

     

    b.

    de gegevens die noodzakelijk zijn voor vaststelling of vermindering van het wachtgeld niet, niet volledig of onjuist verstrekt. 

    Artikel 10

    1.

    Wanneer de rechthebbende: 

     

    a.

    een hem aangeboden dienstverband dat hem gezien zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, weigert te aanvaarden; 

     

    b.

    in de gelegenheid is om op een manier die voor hem passend kan worden geacht inkomsten te verkrijgen, maar daar geen gebruik van maakt; 

     

    c.

    inkomsten als bedoeld in artikel 6 zonder voldoende reden prijs geeft, of door eigen schuld of toedoen verloren laat gaan;
    dan wordt het wachtgeld verminderd met het bedrag waarmee het wachtgeld, vermeerderd met de verzuimde, dan wel de prijsgegeven of verloren inkomsten, de berekeningsgrondslag zou hebben overschreden. 

    2.

    Het wachtgeld wordt niet uitbetaald voor de duur dat de rechthebbende:

     

    a.

    de hem opgelegde verplichtingen niet of niet volledig nakomt; 

     

    b.

    in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, tenzij hem op zijn verzoek hiervoor door de voormalige werkgever toestemming is verleend; 

     

    c.

    zich niet of onvoldoende houdt aan de voorschriften van het bevoegde uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten en daardoor zijn aanspraken op een uitkering als bedoeld in artikel 8 verloren heeft laten gaan. 

    Artikel 11

    (vacant)

    Artikel 12

    Aan de rechthebbende die in de gelegenheid is elders inkomsten uit arbeid of bedrijf te gaan verwerven en die om die reden moet verhuizen, kan een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden toegekend overeenkomstig de verhuiskostenvergoeding als bedoeld in artikel 7.1 van de CAO. 

    Artikel 13

    1.

    Het wachtgeld wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen. Met toestemming van de rechthebbende kan uitbetaling in langere termijnen plaatsvinden. 

    2.

    Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de rechthebbende wordt aan belanghebbenden in de zin van artikel 7:674 BW Open deze wet (nieuw venster) een bedrag uitgekeerd gelijk aan de berekeningsgrondslag over een tijdvak van de eerste dag na het overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin het overlijden plaatsvond. Wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast volgens artikel 6, 7, 8 of 10 of wordt artikel 9 lid 2 toegepast, dan is de uitkering gelijk aan het bedrag van het wachtgeld dat de rechthebbende op de dag van het overlijden ontving over een tijdvak van de eerste dag na het overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin het overlijden plaatsvond. 

    3.

    Laat de rechthebbende geen belanghebbenden als bedoeld in het tweede lid na, dan kan het daar bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, wanneer zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten onvoldoende is. 

    Artikel 14

    1.

    Gedurende de periode waarin de rechthebbende aanspraak heeft op wachtgeld heeft hij – in geval van vrijwillige voortzetting (voor minstens de helft) van de deelneming in de pensioenregeling die op hem van toepassing was – recht op de helft van het werkgeversaandeel in de pensioenpremie dat de werkgever voor de rechthebbende over de volle maand voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was, of bij een wijziging van het premiepercentage verschuldigd zou zijn geweest als deze wijziging al in de bedoelde maand van kracht was geweest. 

    2.

    Het in lid 1 bepaalde is alleen van toepassing wanneer de rechthebbende zelf met betrekking tot de in lid 1 bedoelde voortzetting minstens de helft van het werknemersaandeel in de pensioenpremie dat de rechthebbende over de volle maand voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was, of bij een wijziging van het premiepercentage verschuldigd zou zijn geweest als deze wijziging al in de bedoelde maand van kracht was geweest, voor zijn rekening neemt. 

    3.

    De rechthebbende die, gedurende de periode waarin aanspraak op wachtgeld bestaat, op welk moment dan ook in aanmerking zou komen voor de Overbruggingsregeling van het PGGM heeft, in geval van volledige vrijwillige voortzetting van de deelneming in de PGGM-pensioenregeling, recht op het werkgeversaandeel in de pensioenpremie dat de werkgever voor de rechthebbende over de volle maand voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was of bij een wijziging van het premiepercentage verschuldigd zou zijn geweest als deze wijziging al in de bedoelde maand van kracht was geweest. 

    4.

    Het in lid 3 bepaalde is alleen van toepassing wanneer de rechthebbende zelf met betrekking tot de in lid 3 bedoelde voortzetting het werknemersaandeel in de pensioenpremie dat de rechthebbende over de volle maand voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was of bij een wijziging van het premiepercentage verschuldigd zou zijn geweest als deze wijziging reeds in de bedoelde maand van kracht was geweest, voor zijn rekening neemt. 

       

     


    1. Dit kan zowel de landelijke, provinciale als gemeentelijke overheid zijn.

    2. Onder aanbesteding wordt hier verstaan de procedure waarbij de opdrachtgever de ondernemer in de gelegenheid stelt op basis van vooraf door de opdrachtgever bepaalde eisen en/of selectiecriteria offerte uit te brengen voor het verrichten van diensten of leveringen. Deze procedure wordt afgerond met een op de selectiecriteria gebaseerde gunning.

    3. EVC (Erkenning van Verworven Competenties) is een hulpmiddel om de kennis en ervaring die werknemers in een eerdere baan, opleiding of anderszins hebben opgedaan, in kaart te brengen en te benutten. Vaak wordt EVC gebruikt als instrument om toegang te krijgen tot een (verkorte) opleiding, vrijstellingen of een flexibel leertraject en leidt EVC tot vastlegging van kennis en ervaring in diploma’s of certificaten. Voor verdere informatie over EVC: www.ovdb.nl Opent in nieuw venster onder ‘Producten & diensten’, www.kenniscentrumevc.nl Opent in nieuw venster onder ‘EVC’ en www.fcb.nl onder “Opleidingen”.

    4. Hieronder wordt verstaan een door de werkgever gehanteerde pensioenregeling die niet bij PGGM is ondergebracht.